Skip to content

Jacques de Bruijn

pa

Na verscheidene wegen bewandeld te hebben, variërend van abstract tot realistisch, heeft Jacques de Bruijn zich gevonden in de basiskrachten die in de natuur werkzaam zijn. Met name de krachten die zich afspelen in de geologische en natuurkundige aspecten ervan, zoals gebergtevorming, processen van erosie e.d., kustvormen; het samenspel van rotsen, water en branding, luchten, weersomstandigheden etc.. Om een en ander zo intens mogelijk weer te geven, zoekt hij zijn gebruikte beeldtaal in het grensgebied tussen realisme en abstract. Zijn naar abstractie neigende landschappen noemt hij zelf liever “landschappelijke verbeeldingen”. Zij reflecteren zijn persoonlijke kijk op alle geologische facetten van de natuur.

Dit vindt hij een ideale uitdrukkingswijze, omdat de neiging tot het abstracte goed overeenkomt met de gevoelens die opkomen bij het verwerken van bovengenoemde gegevens, terwijl naar zijn mening het “realistische aspect”, een extra dimensie aan zijn werk geeft. Bovendien slaat dit een brug naar de toeschouwer . Dit is belangrijk want hoewel de kunstenaar in de eerste plaats vorm geeft aan dat wat hem beroert, is het toch zinvol dat anderen er genoegen aan beleven. Natuurlijk zonder dat de kunstenaar zichzelf geweld aandoet.

Hij brengt zijn motivatie en uitgangspunten van het abstracte als volgt onder woorden:

“Waarom volledig abstract gaan werken als realistische vormen een goed uitgangspunt blijken om dingen (ideeën, gevoelens en emoties) op een bevredigende manier weer te geven? Als het werk U aanspreekt en u analyseert waarom het dat doet, dan kunt u voor uzelf, gedachten en ideeën hebben, die misschien verwant zijn aan die van mij.

Als u nu zou proberen die gedachten/ideeën om te zetten in kleur, vorm en compositie zonder naar een landschap, stilleven, persoon of wat maar ook, te kijken dan zal het resultaat een abstracte weergave zijn. Er is echter nog een manier om tot een abstracte weergave te komen, die wat omslachtiger lijkt. Dat is het proces dat ik meestal volg. U kunt in mijn werk een ontwikkeling zien die geleidelijk aan realistische vormen en/of uitdrukkingswijzen, loslaat om tot een geheel abstracte vormgeving te komen.

Zo’n proces noemt men abstraheren, het geleidelijk loslaten van realistische beeldtaal. Een goed voorbeeld van iemand die dat consequent doorvoerde was Piet Mondriaan, die mettertijd kwam tot louter compositie, met gebruik van vlakken en kleur. Het resultaat is een bijna volmaakte harmonie tussen vlak en kleur. Een evenwicht en een balans tussen de delen en in verhouding tot het geheel. Tegelijkertijd loop je op deze wijze vast, omdat je binnen deze methode de uiterste grenzen verkend en bereikt hebt.

Dat beseffende heb ik voor mezelf niet die rigoureuze weg gevolgd. Waarschijnlijk besefte Mondriaan ook wel dat er geen verdere ontwikkeling mogelijk was. Als we het werk “Victor Boogie Woogie” bekijken wordt dat duidelijk. Hier laat hij de uiterste consequentie weer varen en brengt er een dynamiek in, die mogelijk een andere weg kon aangeven als hij niet gestorven was.

Bewust heb ik dan niet gekozen voor zo’n uiterst consequente ontwikkeling, althans niet in één lijn. Maar alle wegen binnen mijn mogelijkheden open gelaten. Zodat ik wel vrij grondig geabstraheerd heb, maar op ieder moment terug kon grijpen op eerdere uitgangspunten en/of verworven resultaten. De vooruitgang in mijn werk zit dus niet in een “mondriaan-achtige” abstrahering, maar in het verdiepen van al die facetten die ik eerder als “eigen” herkende. Zo kun je dus in de tijd verschillende lijnen herkennen, uiteenlopend van tamelijk realistisch (voor mij dan) tot zo goed als geheel abstract.”

Op de vraag of er invloeden zijn aan te wijzen zegt hij:

“Om te zeggen “er zijn er geen” is niet juist. Toch ben ik grotendeels mijn eigen weg gegaan. Verscheidene schilders hadden mijn bewondering en intensieve aandacht en misschien zijn er invloeden aan te wijzen. Om er enkele te noemen, naast de algenoemde Mondriaan: Vincent van Gogh, Kandinsky, Soutine, Paul Klee, maar ook enkele Belgische expressionisten als Permeke en de Vlaminck en van een geheel andere aard, de Italiaan Morandi.

Daarnaast de impressionisten, maar ook Rembrandt e.a. uit die tijd. Zelf denk ik dat er weinig rechtstreekse invloeden zijn aan te wijzen. Over het algemeen betekenden voorgaande personen voor mij meer een onderzoek naar het hoe en waarom van een bepaalde uitdrukkingsmethode. Dat gebeurde meer om mijzelf te onderzoeken en vast te stellen welke wegen ik zou inslaan, dan dat ik genegen was om stijlen en uitdrukkingsmethoden over te nemen.

Enkele andere invloeden komen niet uit de kunst maar uit de muziek. Wat dat betreft gaat het grotendeels om Jazz uit de jaren 40 tot en met 60.In zekere zin lijkt er een rechtstreekse verwantschap te zijn met verschillende jazz musici. Tenminste wat hun muziek betreft. Zonder te beweren dat mijn werk geschilderde jazzmuziek zou zijn, is er een grote verwantschap met wat ik de muzikale ruimte zou willen noemen.

Mijn beleving van hoe dingen zich in de ruimte bevinden en hun verhouding met die ruimte en tot elkaar heeft een zekere analogie met de beleving van muziek. Dat geldt overigens ook voor klassieke muziek en muziek in het algemeen. Een groot verschil is er overigens ook. In de muzikale ruimte is alles vluchtiger en duurt alles net zolang als een uitgevoerd stuk vertolkt wordt. Het is een dynamische ruimte. De onderdelen (noten, tonen, phrases en hoe je het maar wilt noemen) buitelen over en om elkaar heen.

Tot uitdrukking gekomen gevoelens, sferen en gedachten komen op en verdwijnen weer. Maar net als in de door mij beschreven ruimte verhouden de onderdelen zich tot elkaar en het geheel. In ieder geval heeft de intense uitdrukkingskracht van sommige muziekstukken veel voor mij betekend (en doet dat nog) om een indruk te krijgen geef ik enkele musici en nummers aan die aan het bovenstaande beantwoorden.

De cd ‘Kind of Blue’ van Miles Davis met de nummers: Blue in Green, All Blues, Freddie Freeloader.

De cd ‘The Modern Jazz quartet of Music Inn’ van The modern jazz quartet met de nummers: Midsummer, Bags Groove, Night in Tunesia. En van de cd ‘Scandinavia april 1960’ de nummers: Odds against tomorrow, the pyramid.

Charlie Parker van de cd Miles Davis Collection: Bird of Paradise, Embraceable you

Clifford/Max Roach quintet met de cd’s ‘Study in Brown’ en ‘More Study in Brown’

Ook Clifford Brown Conception “All the things you are”

Thelonius Monk Quartet met Charlie Rousse. Maar ook solo piano.

Dit is zomaar een greep uit een zeer fascinerende periode. Een zelfde greep zou ik kunnen doen uit de klassieke muziek, maar dan wordt het een muziek essay en dat is niet de bedoeling. Ik besef terdege wat muziek voor mij betekend en de verwantschap die er misschien met mijn werk is, is voor andere wellicht niet zo duidelijk. Dat geeft niet, iedereen heeft zijn eigen belevingswereld en als er raakvlakken zijn met die in mijn werk dan is dat meegenomen. Het ging er meer om te verduidelijken wat het voor mij betekende.”

Het grootste gedeelte van alle kunstwerken betreffen schilderijen van olieverf. Daarnaast zijn er zo’n 60 werken in oliepastel. Toch heeft Jacques de Bruijn ook potloodtekeningen. Hierbij gaf hij de volgende uitleg:

“Op het eerste gezicht vallen deze uit de boot, omdat de rest van het ‘oeuvre’ meer naar abstractie neigt of zoals in de toch wat realistische landschappen (oliepastel) een vrijere opzet heeft. De reden daarvoor is dat ik eind jaren 60 begin ’70 mijzelf wilde testen wat ik wilde. Realistische (of geneigd tot Realisme) landschappen en stillevens spreken mij ook erg aan.

Kleurpotlood is uitermate geschikt voor realisme. Daar komt nog bij kijken dat ik in die periode weinig geld kon besteden aan mijn artistieke uitingen. Potlood en papier zijn betaalbaar. Toch na verloop van enkele jaren vond ik de techniek belemmerend werken voor mijn expressiedrang. Maar ook begon ik de uitgesproken realistische vormen hinderlijk te vinden.

Daarna heb ik een tijd lang oliepastel tekeningen gemaakt. Landschappen met nog wel een zeker realisme maar met een aanpak die het midden houdt tussen een expressionistische vormtaal en een impressionistische weergave van vooral licht, lucht en water.

Deze aanpak leidde later, jaren tachtig tot heden, tot een meer abstractere aanpak, voornamelijk olieverf (doek, paneel)”